Witte

wieven

Kolhorn

Jan Schindler

eng

Camouflage

Ware Aard

Wievenkoele

Wievendans

Verscholen

Turfschuur Kolhorn

Wit Wief bij Kolhorn  Transparant

Witte wieven in Kolhorn. Die komen toch alleen voor in het oosten van Nederland? Waarom dan Kolhorn. Hoe zijn zij daar gekomen?In het verhaal dat in de bundel wordt opgenomen, is te lezen dat de witte wieven met de turfschepen uit Drenthe zijn meegekomen naar Kolhorn, dat in het verleden aan zee lag.

 

Grauwe Galgen

De schilder mengt zijn zwart zaad

op het kleurloos palet van de Wieven,

bruin, groen van denken en doen,

 

Zwart slijpen van messen tot diep

in de nacht, als uilen achter hun zachte

muizen en glurend blinde zon jagen.

 

© 2010 Joop Bersee. Uit: De Witte Wieven van Kolhorn

Wieven als grauwe galgen waar ‘t

hard pad verdwijnt in een zompig

land zonder klauwen zonder tanden,

 

liters lauw bier en dunne pap. Ogen

van een adelaar en een gier drijvend

tussen de schots en scheef rode

 

tangen van ribbenkast. Wieven likken

aan de vreemdeling. Honden dragen

botten tot aan krijsende deuren van vuur.

 

© 2010 Joop Bersee. Uit: De Witte Wieven van Kolhorn

Het idee voor de gedichten/etsenbundel De Witte Wieven van Kolhorn is ontstaan uit een samenwerkingsproject met de dichter Joop Bersee.

 

 

De Witte Wieven van Kolhorn

 

Witte Wieven in Kolhorn? West Friesland? Niet alleen in het oosten van Nederland? Ik hoor het u denken. Er is, voor zover ik weet, nooit geschreven over de Witte Wieven van Kolhorn. Er werd over gepraat als de kleine kinderen naar bed waren, want een kind die dat zou horen zou nooit meer buiten komen uit angst. Helaas, moet ik er aan toevoegen. De verhalen werden overdreven en de Wieven werden betrokken bij de opvoeding van kinderen: “Als je nu niet gaat slapen dan komen de Wieven en halen alle tanden uit je mond.”

Ik ben een beetje op onderzoek uitgegaan. Heel klein beetje. En wat ik er vanaf weet? Waarom ik er over schrijf? Ik zal het haarfijn uit de doeken doen. En het verhaal begint niet met een drassig landschap, maar met een droge zolder! Mijn zolder wel te verstaan.

Ik kom er nooit. Er ligt een deken van stof en ik ben allergisch voor de huisstofmijt. Ik terg mijn allergie tot het uiterste want de dvd-speler doet het niet en ergens in dit grijze maanlandschap ligt de gebruiksaanwijzing. Er staan dozen en meer dozen. Een kapotte stoel. Wat moet je ermee? En natuurlijk die eeuwige koffers. Koffers wonen en leven op zolders. En ze houden muizen als huisdieren. Voorzichtig beweeg ik me voort tussen het stof. Hier misschien, in dit ladenkastje? Ik kan ook een nieuwe dvd-speler kopen. Ze zijn niet meer zo duur. Toch nog maar even zoeken, er zijn nog 4 maanden te gaan tot het vakantiegeld. Bruine enveloppen, brieven, het kapotte horloge van opa. Zijn tijd was om. Zijn horloge gestopt om 9 uur 48.

Het doet me ergens aan denken, die tijd. Het schiet me even niet te binnen. Vijftig plussers! Vergeet. Vergat. Verrot! Op een maandagochtend op weg naar het werk, de paniek: heb ik mijn pyjamabroek nog aan?

WW staat er op een bruine envelop. Twee W’s onder een laag stof. Ik heb nooit een uitkering gehad. Geen zin om erin te kijken. Maar er is zoveel stof. Dan toch maar die WW envelop open en een beetje mazzel hebben. Wat boekjes. Handleidingen van apparaten die allang niet meer bestaan. Ja, in mijn hoofd. Daar leven al die blenders en mixers een paar jaar langer. En dan toch mazzel, de handleiding gevonden! Hoe is het mogelijk. En hier, een oud treinkaartje. Nee, toch niet zo oud, uit 2008. Retour Schagen. Op de achterkant van het kaartje staat: “Witte Wieven.” Er staat ook geschreven: “Zie AANtek.” Ik kijk verder in de envelop en een aantal handgeschreven vellen papier komen tevoorschijn. Op het bovenste staat geschreven: “Witte Wieven in Kolhorn.” Waarachtig. Ik lees een paar regels en ga naar de kapotte leunstoel, haal de dozen ervan af en draai het kussen om. Onder het kussen steekt een metalen veer meedogenloos, als een gekrulde bajonet, door het materiaal heen. Oppassen geblazen want misschien wil ik nog een kind. Voorzichtig zitten, geen wolken stof veroorzaken. De fauteuil maakt wat geluid. Is het niet meer gewend. Eventjes maar, denk ik, alsof ik tegen de stoel praat.

Ik begin te lezen maar al snel komen de herinneringen boven en nemen over…

 

Die dag. Het was februari, koud en geen wolkje aan de lucht. Ik kom aan op station Schagen. Mooi op tijd. Die trein is altijd op tijd. Is ook altijd bijna leeg. Ik stap uit en loop het perron op naar de uitgang. Op het bord staat Den Helder als eindbestemming. Het is 9:48 uur.

Telkens wanneer ik de weg bewandel van station Schagen naar de flat waar mijn ouders wonen dan komen de seizoenen boven. Heen en weer van station naar de flat en van de flat terug naar het station. In de herfst, zomer, winter en voorjaar. Ik heb nog de heipalen de grond in zien gaan van het nieuwe gedeelte. Ze schoten dan zomaar zes of zeven meter de grond in. Zat daar dan lucht, of een ondergrondse rivier, een Romeinse riolering misschien?

Kijk, het is het raam op de eerste verdieping, links van de hoofdingang. Eerst zie je iets grijsbruins, en het beweegt. Niet veel, maar toch. Ik zwaai en ja hoor, een arm zwaait terug. Mooi zo’n aanleunwoning, maar op de een of andere manier horen ze hier niet thuis maar in een oude boerderij ergens in Gelderland, of op de Veluwe. Het is te modern om hen heen. Daar, kijk, dat kleine ding achter het raam, dat is mijn moeder.  De wind maakt de laatste meters nog extra koud.

Mijn ouders. Ze staan nog. Maar ze zijn door de jaren aan het wankelen geslagen. Misschien de zwaartekracht. We worden allemaal naar beneden getrokken, tot in de grond.

Ik voel mijn vaders kromme vingers. Hij lacht en is blij me te zien. Mijn moeder is een heel duur Chinees vaasje dat zo zou kunnen breken. Ik moet me flink bukken om haar drie zoenen te geven. Alles gaat goed zeggen ze. Tja, alle medische verhalen negeren we gewoon. We lullen er gewoon niet over. Ja, graag, koffie met een koekje. Mijn moeder opent de trommel: “Gisteren hier gekocht bij de supermarkt. Daar zijn ze goedkoper, dezelfde koekjes. Wat een afzetters die anderen.” We praten over ooms en tantes die ik alleen van naam ken. Waarschijnlijk best aardige mensen. Over die en die, en “wat zag die eruit zeg. Die zal wel niet meer lang meegaan.” Het interesseert me niet zo. Ik kijk door het raam naar wat vogels.

Om twaalf uur gaan we naar beneden, naar de eetzaal. Er is een tafeltje gereserveerd. We kletsen weer over ditjes en datjes, en wie er gestorven zijn. Iedereen om ons heen heeft een afspraak met de dood. Dit is de laatste wachtkamer. Hier gaat het echt gebeuren. Die zekerheid, net als het carnaval in Rio. De kaasmarkt in Alkmaar. De Keukenhof en de Japanse toeristen. Die hebben allemaal een oog waar een camera uit groeit.

De aardappels en andere dingen worden de eetzaal binnen gereden. Als we zitten te eten begint mijn vader met zijn verhalen. “Eerst een goede aardappel, dat maakt de tongen los.” Ik ken die uitdrukking niet. Ik vraag hem ernaar. Hij lacht een beetje, heeft het dus niet begrepen. Een stukje aardappel kijkt mij wat kwaad aan, lijkt het. Ik houd mijn mond. De rode bietjes vinden ze heerlijk. Ik vind ze smerig. Mijn vader praat en met de verhalen komen ook gedachten naar boven. Ik vraag hem te herhalen wat hij net zei. Ik luister niet goed. Dat hebben we afgeleerd. Hij wijst met een kromme vinger naar een tafeltje. “Zie je die man daar, met die bruine trui? Is eergisteren vierennegentig geworden en kan nog heel veel. Vertellen, dat kan hij goed. Ik ben niet echt dol op zijn verhalen, allemaal een beetje vaag.”

Nu begint mijn moeder. “Hij heeft het steeds maar over wilde Wieven.”

Mijn vader schudt zijn hoofd: “Nee, Witte Wieven. Jij bent mijn Wild Wief,” zegt hij met een knipoog naar mij.

“Wat zijn dat,” vraag ik?

Mijn moeder grijpt in. “Ach, dat is maar wat flauwekul. Van die kletspraatjes over Wieven. Daar moet je niet in geloven. Dat bestaat helemaal niet. Onzin.”

We eten in stilte onze vlaflip. Dan worden de vuile borden opgehaald.

“Hoe zit het met die Wieven,” vraag ik mijn vader?

“Nou als je interesse hebt,” wijzend naar die man van 94. “Hij heet Theo. En hij kent hele verhalen en vertelt het aan iedereen die het horen wil.”

Mijn moeder kijkt wat zuur en zegt: “Ja, om interessant te doen”.

“Ga naar hem toe, hij praat graag,” zegt mijn vader. Mijn ouders gaan naar de lift, terug naar hun kamer.

“Bent u Theo,” vraag ik? Een rood hoofd kijkt mij aan.

“Ja, ik ben Theo.” We schudden handen. “Ga zitten,” zegt hij. Ik vertel hem dat ik net met mijn ouders heb zitten kletsen over de Wilde Wieven, die mist.

“Bent u een mistdeskundige,” vraag ik dan lachend?

“Je bedoelt de Witte Wieven,” zegt Theo. “Wat wil je over ze weten?”

Even komt alles tot stilstand.

“U gaat me toch niet wijs maken dat die wieven echt bestaan,” stamel ik?

Het rode hoofd komt wat dichterbij. “Ja, je moet weten dat die Wieven eigenlijk uit het oosten komen en daar thuishoren. Waarom dat is, tja dat weet ik ook niet. Het is gewoon zo. Lees maar in de boeken. Over de Wievenkoelen, de Witte Wieven kuilen waarin ze wonen, bij Lochem enzo.”

“En hoe zijn ze hier dan terecht gekomen,” vraag ik?

Ik begin zelf in mijn vraag te geloven. Ga ik hem echt vragen over die Witte Wieven? Verdoe ik hier mijn tijd? Waarom die interesse? Mijn interesse, zomaar uit het niets. Ik weet het niet. Hij is al verder met zijn verhaal.

“Zeer waarschijnlijk zijn ze per ongeluk met de turfschepen meegekomen. Omdat er hier een tekort was aan turf, werd er flink in gehandeld en gingen speciale boten op en neer van oost naar west om die turf hier te brengen. De Wieven zaten onder de grond in die turf.”

Ik krijg te horen dat hier vlakbij de Zuiderzee was. Dat Kolhorn een vissershaven aan de Zuiderzee is geweest. Kolhorn. Wat een prachtige naam. Wat een mooi woord. Vol met de magie van het verhaal. Theo praat rustig door.

“De turf werd door turfschepen hier naartoe vervoerd en vervolgens in schuren gelegd om te drogen. Ze staan er nog, van die zwarte schuren. Zwart van de teer om rotten tegen te gaan.” Hij neemt een slok water. “Luister, ik zal je mijn verhaal vertellen. Het gaat drie generaties terug. Mijn zoon heeft ze nooit gezien want wij waren inmiddels dichter bij de grote stad gaan wonen en waar ik de Wieven zag, zijn nu huizen gebouwd.”

Het zweet brak me uit. Gezien? Ach nee, maar nee en ja tegelijk, want ik wilde zijn verhaal horen en wist niet meer waar de grenzen lagen van waarheid en verzinsels, hersenspinsels.

Theo zag de uitdrukking van verbazing op mijn gezicht. “Je moet het zo’n beetje zien als het monster van Loch Ness. Wie gelooft daar nou in? Flauwekul toch? Maar er zijn mensen die onder ede zouden zweren, dat monster gezien te hebben. Nou speelt geld daar natuurlijk ook een rol, want reken maar dat die gasten lekker verdienen aan hun T-shirts en glazen met Nessie er op. Met die Witte Wieven heb je dat allemaal niet. Komt natuurlijk ook omdat ze niet altijd aan één plek gebonden zijn. Soms worden ze verdreven door nieuwbouw. Nou ja, in ieder geval, het was dus zo dat mijn grootvader een keer mijn vader meenam om de palingfuiken te controleren. En op een ochtend stopt mijn grootvader en zegt tegen mijn vader: ‘Wieven!’

Hij knielde neer en gebaarde mijn vader hetzelfde te doen. Hij wees. Mijn vader vertelde me dat hij in die richting keek, maar niks zag. Eerst dacht hij dat het door de mist kwam. Toen zag hij hoe vormen uit de mist tevoorschijn kwamen. Soms krullen met een hand en een arm daaraan. Ze zagen zelfs dat enkele gestalten zich losmaakten van de mist. Sommigen leken heel gracieus en anderen wat houterig ondanks dat ze alleen maar uit mist leken te bestaan. Ze maakten een soort rondedans, hand in hand. Het moet een goed half uur hebben geduurd en toen werd het waarschijnlijk te licht of te warm en verdwenen ze vrij snel. Grootvader had gezegd dat hij er één wel eens naar hem heeft zien kijken. Griezelig. Maar na verloop van tijd wist hij, dat als hij de Wieven gewoon met rust zou laten, zij hem ook met rust zouden laten. Een keer met mijn vader erbij zag ik hoe Wieven de fuiken uit het water haalden. En verdorie, daar ging de vis, de paling, alles eruit, terug in het water. Prachtige vis, potverdorie. Dat deden die Wieven expres.

Mijn vader wist veel van vogels en insecten en hij bracht me ook naar de Witte Wieven als een onderdeel van diezelfde natuur. Er was niks engs aan. Wel vreemd, want je schrikt even. Maar als je er dan langer naar kijkt, dan kom je onder de indruk. Net als de bliksem of een storm. Dit was veel rustiger, die Wieven, maar je voelde dat het een enorme kracht had. Daarom zullen de verhalen overleven. Het is waar wat ze zeggen. De mensen vergaan, maar de verhalen zullen altijd blijven bestaan.

Je hoeft me niet te geloven. Ik vertel mijn verhaal en hoop dat er mensen zijn die mijn verhaal weer doorvertellen. De Wieven zijn er nog steeds. Je moet geluk hebben. En dan kan het best eens zo zijn dat je er plots middenin staat. Dat de Wieven de lucht om je heen vullen. Glimlach dan, laat ze weten dat je het echt ziet en dat het geen verbeelding is.

Nou, ik moet nu echt even gaan liggen. Dat doe ik altijd na het eten. Het beste en beslis zelf. Is het allemaal waar? Zouden kletsverhaaltjes waar niets aan wordt verdiend, blijven voortbestaan? Er is meer tussen hemel en aarde. Ik bijvoorbeeld. Ja jongen, ik ben halverwege hemel en aarde met mijn vierennegentig. Tot kijk.”

 

Ik ben weer terug op mijn zolder, in een hand de vellen beschreven papier en in de ander de envelop. Ik blaas alle stof van de envelop en de W’s zijn nu goed zichtbaar.

 © 2010 Joop Bersee. Uit: De Witte Wieven van Kolhorn

janschindler@xs4all.nl